Wonen in de Zocherstraat bij een hospitavan 1971 tot 1974
door Colette Zonsveld

Colette ZonneveldIn de 70er jaren, toen ikzelf met mijn toenmalige man Renso in de Zocherstraat kwam wonen, volgden we de familie Keereweer op. Dat was op nummer 85, 3-hoog. In 2016 woon ik er nog steeds, maar dan alleen. 
De familie K. kwam in 1916 vanuit het Gooi, precies honderd jaar geleden, wonen in het nieuw gebouwde huis aan de Zocherstraat voor de gegoede middenstand. De jongste, Bram, was toen 10 jaar oud. Zijn zus ‘juffrouw Keereweer’ was deze eerste jaren onze hospita. Ze was achtergebleven, nadat ze als oudste zus haar ouders had verzorgd. Ze wilde absoluut geen mevrouw worden genoemd, ze was trots op haar ongetrouwde status. We noemden haar Truida.

Wij bewoonden als pas getrouwd stel eerst 2 kamers. In één ervan stond een oliekachel, die we van de vorige bewoners hadden overgenomen, met een olievat op het balkon. In de andere kamer sliepen we en ’s winters stonden bij het wakker worden de ijsbloemen op de ramen. Truida Keereweer woonde in de grote voor- en achterkamer. Dan was er nog een klein rommelkamertje. En op de zolderkamer woonde Dora, waarover later meer.

We deelden de keuken, waarbij de afwas in bakken onder in het buffet gezet werd, want elke dag afwassen lag niet in onze aard. Een keer kwam er bezoek toen de wekelijkse afwas net in de keuken stond en ze waste de hele boel af zonder dat we het merkten. Ook ruimde ze onze boel op toen we een keer uit Joegoslavië thuisgekomen een tas in de gang dumpten. We hadden namelijk een nogal onfortuinlijke vakantie gehad en gingen meteen onze mooie stad in om achter elkaar een aantal films te bekijken. ’s Nachts thuisgekomen bleek er een gebroken fles rode wijn in te hebben gezeten. Ze had alles eruit gehaald en in een sopje gedaan. Heel lief van haar.

Ze was dus aardig, maar wel streng. Ook voor zichzelf. Ze was opgegroeid met het idee dat je je stand moest ophouden. Ze ging dan ook niet door de straat naar de Overtoom, maar bleef liever aan de nette Amstelveenseweg kant. Als meisje waste ze de ramen ’s ochtends vroeg, zodat men niet zou zien dat ze dat zelf deed i.p.v. een hulp, vertelde ze eens. Haar jongste broer Bram, die met vrouw Clara verderop in de straat ging wonen, was juist heel vrij, zeker voor die tijd. Later meer over Bram Keereweer.

Truida liet vaak het licht uit en dan verraste ze ons door zomaar uit haar kamers te komen. Soms ook om ons eraan te herinneren dat er in haar huis niet gevloekt mocht worden. Ze had een vriendin waar ze 2x per week naar heen ging met lijn 6. Later bleek ze daar te douchen. In haar kamer was geen wastafel, en verder waste ze zich – stiekem – in de keuken. Eigenlijk woonde ze alleen in de achterkamer, want de voorkamer bleek een pronkkamer te zijn. Naast een strenge hospita en een mens met veel regels en oordelen, was ze een lieve vrouw. En een lieve zus voor Bram.

OvertoomOnze eerste gebiedsuitbreiding vond plaats toen we de zolderkamer erbij kregen. Daar woonde daarvoor een vreemde vrouw die Dora heette. In de ochtend kwam ze met een emmertje urine naar beneden om die in het toilet te legen. Wij bleven dan even uit de buurt. Al gauw heette ze Dora Pis. Ze ontspoorde nogal toen ze last kreeg van achtervolgingswaanzin en ze steeds meer takken uit het park verzamelde. Ze werd een takkenvrouwtje maar gelukkig stookte ze die niet op. Wel werd het boven gevaarlijk met haar oliekacheltje en al die takken. Dus werd zij op een gegeven moment afgevoerd en haar ‘huisje’ leeggehaald. Ze bleek overal planken op de muren gespijkerd te hebben zodat niemand door de scheuren binnen kon komen. De deur heeft nog steeds een soort tralies voor het deurraam.

Truida vond dat ze als hospita zelf de kamer moest opknappen en dat deed ze, al was ze toen de 70 al gepasseerd. Toen huurden we die kamer erbij en gingen er slapen. Truida bood ons een formica tafeltje en stoelen aan om in de oude slaapkamer te kunnen eten. Dat was goed bedoeld maar niet onze smaak. Nu hadden we een woon-, eet- en slaapkamer en waren heel gelukkig. We namen een poesje en katertje in huis, Renso nam die onverwacht uit Brabant mee. Ze werden blijkbaar door Truida getolereerd. In 1974 overleed onze hospita.

Een broer kwam alles onder de familie verdelen. Een beetje vreemd figuur die zelfs de lucifers en de kolen die nog op zolder stonden per stuk verdeelde: eerlijkheid voorop. Maar een bank die we wel wilden overnemen liet hij liever voor 15 gulden aan een opkoper dan die aan ons te verkopen voor dat bedrag. Het duurde dus even voordat het huis leeg was. We hadden alleen recht op het huis – een huurhuis – als de huur boven de huurgrens kwam. Zoals dat bij onderhuur vaak het geval was, bleken we aan Truida ongeveer het dubbele van haar huur te hebben betaald. Het was haar gegund hoor, met haar kleine AOWtje.

Vanwege de woningnood keken we rond in de Bijlmer voor een geschikte woning. Echter, toen we de huisbaas zover kregen de huur te verhogen, waren we dolblij want toen konden we er blijven wonen. Dat ging zo: ik trok de stoute schoenen aan om de eigenaar te benaderen. Het was een imponerende man van de oude stempel die op de Hoofdweg woonde. De heer Monteban deed open en stond bovenaan de trap op me neer te kijken toen ik mijn smeekbede deed. Alstublieft, wilt u CV aanleggen en dan de huur boven de 300 gulden brengen? We willen er zo graag blijven wonen. Vanuit het donkere trapgat stemde hij na enige aarzeling met strenge stem toe. We kregen er zomaar twee kamers bij en dat voor ongeveer dezelfde huur! Toen anderhalf jaar later onze zoon werd geboren, gingen we weer beneden slapen. Het rommelkamertje werd de kattenkamer en de eetkamer Jochem’s kamer, de woonkamer de slaapkamer en de zolder werd de werk- en logeerkamer.

Later volgt nog meer over mijn leven in de Zocherstraat